Lief mädchen
Een brief van Gilliams voedt de gedachte dat er tussen het ontstaan van het oorspronkelijke winterse tafereel en het portret van Gusta iets wezenlijk is veranderd in de gevoelswereld van Van Dyck. Al is hier biografisch verder niets over bekend.
Gilliams schrijft op 3 november 1939: ‘Beste Albert, Ik heb u reeds een drietal malen opgebeld, maar vergeefs: Schilde zwijgt als een gezonken onderzeeër. Nu verneem ik plotseling, dat ge … gaat trouwen! Beste kerel, ik heb dit nieuws – van Georgette- niet kunnen gelooven en ik dacht eerst dat het een grap was. Wel had ik reeds van u iets gehoord over een lief mädchen, maar dat alles zoo gauw tot dit supreem besluit zou leiden, kon ik niet vermoeden. Ik weet dat ge over dit alles hebt nagedacht, dat het bij u niet een wenschbeeld is zonder meer, ten minste ik veronderstel u op dit punt genoeg te kennnen. Ge zijt immers een denker, een mijmeraar, een stille diepzinnige proever, en ik hoop dat alles zijn verloop zal hebben zoals ge u het levensavontuur voorstelt.’
De winter van Maurice Gilliams
Opvallend is de parallel die getrokken kan worden met de eigen gevoelswereld van Gilliams in die periode en zijn beleving van Schilde in de winter. In oktober 1940 schrijft Gilliams aan Van Dyck: ‘Beste Albert, Na mijn bezoek van Maandag jl., had ik behoefte u een brief te schrijven. Maar ik voelde mij zoo down, dat ik mijn voornemen niet kon ten uitvoer brengen. Telkens ik te Schilde kom, overvalt me een kilte die zich moeilijk definieeren laat.’ Verder in de brief illustreert hij deze gevoelens met het gedicht ‘Winter’, dat hij in 1936 geschreven had:
Winter
Het is een vlakte waar geen moeders wonen;
het sneeuwt, en blinder zwellen de moerassen.
De stilte vriest aan 't warhout der gewassen,
langs donkre paden naar helle kerkhoven.
Maar wiegeliederen hoort men nergens ruisen,
geen winteravondzangen brengen vrede.
De natte honden bassen aan hun keten;
de bruine ratten dringen in de huizen.
Daar rusten, donker-weg, de ronde broden,
het karig voedsel voor de bittre dagen.
En alles wat een mensenziel kan klagen
verkropt zij in der doden zoete namen.
In het gedicht rekent Gilliams af met zijn mislukte huwelijk met Gabriëlle Baelemans, een welgestelde bierbrouwer uit Schilde. Het huwelijk hield slechts zes maanden stand, maar werd pas in 1976 ontbonden, wat intussen zwaar woog op de auteur.